Het Onzichtbare zichtbaar maken

Iconen zijn afbeeldingen van goddelijke en heilige personen uit de Andere Wereld.

1. De Andere Wereld.

De kerkvaders van de vierde eeuw hebben het christendom met de antieke filosofie verbonden om tot een plausibele godsleer te komen die tevens indruk maakte in de intellectuele laat-hellenistische wereld. Aan het neo-platonisme, een wijsgerig-religieuze renaissance, werd het onderscheid tussen het onzichtbare rijk van de ideeën en de zichtbare wereld ontleend.

De wereld van de ideeën wordt de Andere Wereld, de transcendente (eeuwige) wereld van het christelijk geloof. Het is de hemel, en daarin bestaat onze tijd niet, het is de tijdloosheid, de eeuwigheid.

God is vanzelfsprekend in die wereld, de Drie-enige God (Vader, Zoon en Heilige Geest). En Maria, de Moeder Gods is er. Verder zijn er tienduizenden God welgevallige heiligen, die met de engelen Gods lof zingen in gelukzaligheid. Ze voeren een eeuwige goddelijke eredienst op.

Gewone stervelingen zijn er niet, die wachten in hun graven op de Dag des Oordeels, als Christus zal wederkomen. Hij zal oordelen op grond van Zijn Evangelie en de uitverkorenen zullen dan óók binnengaan in het "Eeuwige Leven".

2. Hoe worden Christus en de heiligen op iconen afgebeeld?

God de Vader en de Heilige Geest zijn nooit door mensenogen gezien en kunnen dus nooit afgebeeld worden. Maar God de Zoon is mens geworden, en hij is dus af te beelden als een mens; ook de heiligen hebben geleefd en zijn af te beelden.

Nu is de essentie van de icoon onder andere het vastleggen van die menselijke trekken. In antwoord op het iconoclasme formuleerde Johannes Damascenus rond 730 wat de icoon nog meer doet: een actueel beeld geven van de heilige zoals hij nu is: hij is bij God in de Andere Wereld en hij heeft een getransfigureerd, men zegt ook: een verheerlijkt lichaam. De icoon geeft getransfigureerden weer.

Al vóór het neo-platonisme zocht de filosofie naar een verbinding met de goddelijke wereld. De kern van de hele oosters-christelijke spiritualiteit is nu dat het leven en de materie kunnen worden geheiligd, en dat de aardse dingen naar de hemelse en Goddelijke realiteit kunnen worden geleid door middel van gebed, contemplatie en deelname aan de Godheid. Door de deelname aan de Godheid wordt je getransfigureerd.

3. De weg van de iconenschilder.

Christus' transfiguratie is beschreven in het verhaal van de Verheerlijking op de berg. Er staat dat zijn gelaat straalde gelijk de zon en zijn klederen wit als het licht werden. Drie discipelen hebben het gezien. En nu moet de iconenschilder heiligen uit de Andere Wereld in getransfigureerde staat afbeelden.

Er zal in ieder geval een ideale, volmaakte afbeelding van de heilige ontstaan. Was de heilige blind of mank, zo'n gebrek wordt niet afgebeeld. De gelaatsuitdrukking is vredig en vertoont geen extreme emotie. De heilige houdt het eigen karakter. Dit vloeit voort uit de transfiguratie. Maar hoe verder?

Bij het schilderen van een icoon zal verder de kerk de schilder helpen. Kerk betekent in de oosterse orthodoxie niet de administratieve staf van de kerk of het kerkgebouw, maar nog steeds de vroegchristelijke "gemeenschap der gelovigen", levenden en gestorvenen allemaal, geschaard rond Jezus Christus.

Deze kerk is gemeenschap en tijdloos, de schilder zit er naast een heilige uit de 5de, een patriarch uit de 15de en een schilder uit de 16de eeuw. Hij kijkt over de eeuwen heen. Hij luistert en kijkt en zet de traditie voort. Gelukkig is er de traditie. Vanaf de zesde eeuw zijn er iconen bewaard gebleven. Voor rekening van de leraren van de kerk komen de dispositie en de compositie (indeling en samenstelling) van de icoon. Voor dit gedeelte raadpleegt men de schildersboeken. Het technische aspect is het terrein van de schilder.

Vroeger waren de schilders reuzen in ontbering en toewijding. Heel vreemde, andere mensen. Zoals staretsen. In Rusland, de Balkan, Byzantium, en in de kloosters gingen ze het grootse "vasten van de ogen" binnen, om via bijbellezen, meditatie en bidden het schouwen van het transcendente element te bereiken. In de 20ste eeuw schilderde vader Gregoire Krug 's nachts fresco's terwijl de abt uit de kerkvaders las met twee kaarsen in de hand voor het licht.

4. De traditie in kleding.

De evangeliën leggen de nadruk op de kleding die getransfigureerd is in de Verheerlijking. Het bewijst nogmaals dat de materie geheiligd kan worden, zetel geworden van de glorie van God. De heiligen dragen traditioneel antieke Griekse kleding, dus de mannen toga en chiton, de vrouwen maphorion en een kapje over het haar. De schilder bouwt elk kledingstuk op vanuit een donker kleurvlak. Op het grondvlak worden (meestal 3) lichtere gradaties van die kleur gestapeld, ieder licht weer kleiner van omvang en met hoekige vormen. Het wordt dus in theorie een monochroom stukje, zodat een blauw kleed bijvoorbeeld een zwartblauwe grondkleur heeft, en lichten van blauw, witgetint blauw en wit met een vleugje blauw. Zo wordt altijd de illusie geschapen van een kostbare glanzende stof, die wellicht een bron van licht in de Andere Wereld weerkaatst.

5. De traditie in het vlees.

De gezichten, handen en voeten worden ook weer in oplichtingen op een grondkleur opgezet, maar dan vloeiender en ronder. Het worden weer monochrome vlakken die van omber via gele oker naar wit gaan. Ze lijken op de tinten van brons. De heiligen worden worden van binnen uit door een bovennatuurlijk, ongeschapen licht verlicht.

Het gezicht wil geen portret zijn, want anders zou de heilige natuurlijk trots poseren. De icoon wil het innerlijke leven laten zien. Als soms het ene oog verschilt van het andere, zou men kunnen zeggen, dat het ene naar binnen en het andere naar buiten kijkt, maar ook dat twee ongelijke ogen onze blik vangen en vasthouden waar we ook zijn. De neus is lang, dun en edel. De mond is vaak samen met de ogen enorm gestileerd, zonder dat er aan zeggingskracht verloren gaat. De oren zijn altijd aangegeven, anders kan de heilige de gebeden niet horen. De vingers zijn lang en slank.

De schilder moet de heilige kennen om hem te kunnen afbeelden. Het werk van de iconenschilder is even tijdloos als zijn onderwerp. Langzaam is dan beter dan snel en wachten op inspiratie (van de Heilige Geest) beter dan haasten. En goede iconenschilder moet de bijbel kennen. In de liturgie wordt veel uitgelegd. De orthodoxe kerk biedt ook gebeden, aanwijzingen en regels voor de iconenschilder.

6. Het iconografisch gebed van Dionysius van Fourna. (Grieks)

Heer, Jezus Christus, onze God:
Gij, Die een goddelijke en grenzenloze natuur bezit en Die een lichaam hebt aangenomen in de schoot van de Maagd Maria voor het heil van de mens;
Gij, Die de heilige trekken van Uw onsterfelijke gezicht op een heilig doek hebt afgedrukt, dat diende om de ziekte van koning Abgar te genezen om zijn ziel te verlichten, ten einde de ware God te kennen;
Gij, Die met Uw heilige Geest Uw goddelijke Apostel en Evangelist Lukas hebt verlicht, zodat hij de schoonheid van Uw zeer reine Moeder kon verbeelden, die U als klein kind in haar armen heeft gedragen en sprak: “De genade van Wie uit mij is geboren heeft zich over de mensen verspreid”;
Gij, Goddelijke Meester van al hetgeen bestaat:
Verlicht en leid mijn ziel, mijn hart en mijn geest;
Bestuur mijn handen, opdat ik op waardige en volkomen wijze Uw beeltenis kan afbeelden, als ook die van Uw zeer heilige Moeder en die van alle Heiligen, voor de glorie, de vreugde en de verfraaiing van Uw (zeer) heilige Kerk;
Vergeef de zonden van al hen, die deze ikonen zullen vereren en die eer aan het Model in de Hemelen brengen door zich ervoor te buigen. Red hen van elke slechte invloed en onderricht hen met goede raadgevingen:
Door de gebeden van Uw zeer heilige Moeder, van de roemrijke Apostel en Evangelist Lukas en van alle Heiligen.

AMEN

7. Regels voor de iconenschilder. (16de eeuw, Russisch)

(uittreksel uit besluiten van een plaatselijke synode)

Alvorens met je werk te beginnen, maak het teken des kruises, bid in stilte en vergeef je vijanden.

Leg je met liefde toe op ieder detail van de icoon alsof je voor de Heer zelf werkt. Bid gedurende het werk om je innerlijk te versterken. Vermijd vooral de ijdele woorden en bewaar het stilzwijgen.

Bid in het bijzonder in vereniging met de Heilige van wie je het gelaat schildert. Behoed je geest voor de afleiding en de Heilige zal bij je zijn.

Als je een kleur kiest, strek dan je geestelijke handen uit naar de Heer en vraag Hem om raad.

Als je icoon beëindigd is, dank dan de Heer, dat Zijn Barmhartigheid je de genade heeft verleend om de Heilige Beeltenissen te schilderen.

Vergeet nooit:
de vreugde om de iconen in de wereld te verbreiden;
de vreugde van het werk zelf van de iconenschilder;
de vreugde om de heilige de mogelijkheid te geven om door zijn icoon te stralen;
de vreugde om in gemeenschap te zijn met de Heilige van wie je het beeld schildert.

drs. Jan Verdonk